Wettelijk kader voogdij


Algemeen
Volgens artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dienen minderjarigen in Nederland onder gezag staan. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag of voogdij. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend of door één van de ouders. Voogdij kan worden uitgeoefend door een ouder, een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. In alle gevallen is er een bereidverklaring tot de voogdij noodzakelijk. Wanneer de rechtbank een voogd benoemt over minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan of in wiens voogdij niet voorzien is, dan is er sprake van datieve voogdij. Hiervan is sprake bij de voogdij van Nidos over minderjarige asielzoekers.

Voorziening in tijdelijke voogdij
De rechtbank kan een tijdelijke voogd benoemen indien:
- voorziening nodig is in afwachting van het begin van de voogdij (art. 1:296 BW);
- de voogd in gebreke blijft het gezag uit te oefenen (art. 1:297 BW);
- het voor de voogd tijdelijk onmogelijk is het gezag uit te oefenen (art. 1:297 BW);
- bestaan of verblijfplaats van de voogd onbekend is (art. 1:297 BW)
- de ouder(s) onbevoegd is/zijn het gezag uit te oefenen (art. 1:253q BW)
- het voor de ouder(s) tijdelijk onmogelijk is het gezag uit te oefenen (art. 1:253r BW);
- het bestaan en/of verblijfplaats van de ouder(s) onbekend is (art. 1:253r BW);
Voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) vraagt Nidos bij de rechtbank op grond van art. 1:253r BW voorziening in de tijdelijke voogdij omdat ervan uitgegaan wordt dat de ouder(s) al dan niet tijdelijk niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen of omdat bestaan en/of verblijfplaats van de ouder(s) onbekend is. Nidos attendeert de rechtbank er in dit geval op dat ambtshalve benoeming van een tijdelijke voogd aangewezen is. Dit gebeurt schriftelijk, met een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad geeft een verklaring van geen bezwaar. Als de rechtbank deze heeft ontvangen stuurt hij de beschikking inzake de toekenning van de voogdij naar de jongere, de voogd en het Ministerie van Justitie.

Voorziening in voorlopige voogdij
Artikel 1:241 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek regelt het uitoefenen van de voorlopige voogdij door Nidos. De kinderrechter kan de voorlopige voogdij over een minderjarige door of voor wie een asielaanvraag is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijft, aan Nidos toewijzen. Dit geldt ook voor door de Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere minderjarigen. De andere categorieën minderjarigen over wie Nidos tot (voorlopige) voogd kan worden benoemd, zijn:
a. minderjarigen die jonger dan twaalf jaar zijn, voor wie een asielaanvraag eerst wordt ingediend als Nidos de voogdij over hen heeft verkregen;
b. minderjarigen van wie de moeder onder voogdij staat van Nidos en voor of door wie een aanvraag om een (reguliere) verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij moeder’ is ingediend;
c. minderjarigen die op Nederlands grondgebied worden aangetroffen en slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en door of voor wie een (reguliere) aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘slachtofferaangever van mensenhandel’ wordt ingediend;
d. minderjarigen die op een luchthaven in Nederland onbegeleid worden aangetroffen en door of voor wie een reguliere aanvraag wordt of kan worden ingediend;
e. minderjarigen die alleen achterblijven in een opvangcentrum van het COA nadat hun ouders met onbekende bestemming zijn vertrokken; en
f. minderjarigen die onder toezicht zijn gesteld van Nidos en wier ouder(s) zijn ontheven of ontzet van het gezag, dan wel met onbekende bestemming zijn vertrokken.
Voor Schipholkinderen (minderjarigen die op een luchthaven in Nederland alleen achter zijn gebleven nadat een ouder of andere begeleider is aangehouden en in verzekering is gesteld in verband met de verdenking van het plegen van een strafbaar feit dan wel minderjarigen die op een luchthaven in Nederland om reden van het plegen van een strafbaar feit in verzekering zijn gesteld) geldt het volgende. Zij zijn net als de hierboven genoemde categorieën a t/m f aangewezen als categorie andere minderjarigen over wie de rechter de (voorlopige) voogdij aan Nidos kan opdragen. In tegenstelling tot de categorieën a t/m f is het voor deze groep echter niet automatisch zo dat Nidos vervolgens ook de voogdij over deze kinderen krijgt.

De voorlopige voogdij kan worden aangevraagd indien er niet in het gezag is voorzien of indien het gezag niet wordt uitgeoefend. Er dient sprake te zijn van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van de minderjarige en de maatregel moet dringend en onverwijld noodzakelijk zijn ter voorkoming van dit ernstige gevaar. De kinderrechter kan tot een voorlopige voogdij komen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) of op vordering van de Officier van Justitie.
Als de kinderrechter op verzoek van de Raad of de Officier van Justitie de voorlopige voogdij uitspreekt, bepaalt hij tevens de duur van de maatregel. De maatregel vervalt na verloop van 12 weken na de dag van de beschikking, tenzij de Raad voor het einde van deze termijn om een definitieve voorziening in het gezag heeft verzocht c.q. een verzoek tot ontzetting of gedwongen ontheffing heeft ingediend. De voorlopige voogdij vervalt niet als een verzoek om voorziening in het gezag is ingediend: in dat geval kan de voorlopige voogdij dus langer duren dan zes of twaalf weken!
Drie weken na de uitspraak van de voorlopige voogdij vindt er een voortgangsoverleg plaats tussen de raadsonderzoeker en de voogd. Uiterlijk twee weken voor de datum afloop beschikking legt de Raad een voorstel inzake gezagsvoorziening voor aan de voogdij-instelling. De voogd geeft hierop direct een reactie en indien van toepassing verstrekt de voogd per omgaande een bereidverklaring. Vervolgens volgt (binnen de termijn van de beschikking) indiening van het verzoek om definitieve gezagsvoorziening door de Raad bij de kantonrechter of rechtbank.

Voorziening in voogdij
Wanneer onomstotelijk vaststaat dat beide ouders overleden zijn vraagt Nidos voorziening in de voogdij aan. Net als bij de tijdelijke voogdij attendeert Nidos de rechtbank er op dat ambtshalve benoeming van een voogd aangewezen is (zie verder hierboven).
Voorziening in voogdij wordt ook aangevraagd voor kinderen van minderjarige moeders (en vaders). De moeder is misschien wel in staat om het gezag uit te oefenen, maar is daartoe niet bevoegd vanwege haar minderjarigheid. Wel kan de minderjarige moeder van 16 jaar of ouder zich meerderjarig laten verklaren, waardoor zij alsnog het ouderlijk gezag kan krijgen. De beëindiging van de voogdij over het kind van een meerderjarig verklaarde moeder kan gebeuren door opheffing ervan ten gunste van de moeder.

Bevoegdheden van de voogd-rechtspersoon
Artikel 1:303 BW regelt dat voor zover de wet niet anders bepaalt, de voogd-rechtspersoon dezelfde bevoegdheden en verplichtingen heeft als de natuurlijke voogd. Om de bevoegdheden en verplichtingen van de voogd na te gaan dient men dus de bepalingen over het gezag er bij te nemen. Het gezag, zo zegt artikel 1:245 lid 4 BW heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

Het gezag over de persoon van de minderjarige
Artikel 1:247 BW stelt dat ouders de plicht en het recht hebben hun kind te verzorgen en op te voeden. De verplichting van de voogd beperkt zich tot het zorg dragen voor de opvoeding en verzorging van de minderjarige overeenkomstig diens vermogen (art. 1:336 BW). Het verschil tussen ouder en voogd is er in gelegen dat de ouder zelf de opvoeding en verzorging op zich dient te nemen; de voogd heeft deze verplichting niet. Hij mag dit ook aan een ander overlaten.
Het Burgerlijk Wetboek bepaalt verder dat onder verzorging en opvoeding mede verstaan worden de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van zijn persoonlijkheid.
Voor de minderjarige staat hiertegenover dat hij rekening dient te houden met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt. Het Burgerlijk Wetboek kende in een wetsvoorstel de bepaling dat de ouder en dus ook voogd rekening dient te houden met de mening van het kind over de hem betreffende aangelegenheden alsmede met diens toenemende bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten. Deze bepaling is niet in de wet gekomen maar heeft wel betekenis. Het betekent dat het gezag naar redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgeoefend. In dit verband zijn ook bepalingen in het Verdrag van de Rechten van het Kind van belang. In dit verdrag namelijk zijn de rechten van kinderen vastgelegd.

Bovenstaande komt er op neer dat voogden alle bevoegdheden toekomen die ouders ook hebben. Dit betreft zaken als het bepalen van de verblijfplaats van de minderjarige, de school uitzoeken die hij bezoekt, in rechte optreden voor hem, etc.
Over de persoon van de minderjarige staan in de afdeling van het Burgerlijk Wetboek die over gezag over minderjarigen staat, verder geen bepalingen. De wet beperkt het gezag echter in vele andere bepalingen. Zo dient een kind op grond van de leerplichtwet naar school te gaan, kunnen autoriteiten kinderen gelasten dingen te doen of na te laten, mag een ouder op grond van het Wetboek van Strafrecht een kind niet mishandelen, etc.

Het bewind over het vermogen van de minderjarige
Met betrekking tot financiële zaken kent het Burgerlijk Wetboek vele bepalingen over het bewind van de voogd. De voogd voert het bewind over het vermogen van de minderjarige; bij slecht bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk. De voogd kan alle handelingen verrichten die hij in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht (art. 1:343 BW, handelingsbevoegdheid voogd).

De vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen
De minderjarige heeft voor het verrichten van rechtshandelingen toestemming nodig van zijn wettelijk vertegenwoordiger. Deze toestemming wordt echter verondersteld aanwezig te zijn indien het gaat om rechtshandelingen waarvan het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten (bijvoorbeeld het kopen van een CD of een buskaartje). Ook kan een minderjarige een arbeidscontract sluiten en vanaf zestien jaar een medische behandelingsovereenkomst sluiten.
Indien de minderjarige zich dient te verweren in een rechtszaak zal doorgaans de wettelijk vertegenwoordiger voor hem optreden. Hetzelfde geldt voor het voeren van een rechtszaak. Ook hierop zijn echter uitzonderingen. Om een paar voorbeelden te geven: Een minderjarige van twaalf jaar en ouder is strafrechtelijk verantwoordelijk en kan dan ook in een strafzaak moeten voorkomen. In het bestuursrecht zijn minderjarigen ontvankelijk en hebben geen wettelijk vertegenwoordiger nodig. Er bestaan in het personen- en familierecht uitzonderingen op de processuele onbekwaamheid: een minderjarige kan bijvoorbeeld om een omgangsregeling verzoeken.

Ontheffing van het ouderlijk gezag
Mits het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meerdere kinderen ontheffen omdat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ontheffing kan alleen worden uitgesproken op verzoek van de Raad of op vordering van het Openbaar Ministerie.

Ontzetting van het ouderlijk gezag
Als een rechtbank dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt kan zij een ouder ontzetten uit het gezag over een of meer kinderen op grond van:
- misbruik van het gezag of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding;
- slecht levensgedrag;
- onherroepelijke veroordeling wegens het plegen van een aantal in de wet genoemde misdrijven;
- het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij- instelling of belemmering van een uithuisplaatsing voor dag en nacht;
- het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.
Ontzetting van het gezag wordt slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of aanverwanten van de kinderen tot en met de vierde graad, de Raad voor de Kinderbescherming of op vordering van het Openbaar Ministerie.

Beëindiging van de voogdij
Een voogdijmaatregel wordt beëindigd als het ouderlijk gezag van de ouders hersteld kan worden of als de voogdij kan worden overgedragen aan bij voorbeeld familieleden of pleegouders. De voogdij eindigt van rechtswege wanneer de minderjarige meerderjarig wordt. Ook de tijdelijke voogdij kan duren totdat de pupil meerderjarig is geworden.