Wettelijk kader gezinsvoogdij/ots


Algemeen
Op grond van artikel 1:254 BW kan een minderjarige “indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen” onder toezicht gesteld worden door de kinderrechter. Er wordt dan door de kinderrechter een gezinsvoogdij-instelling benoemd. De ondertoezichtstelling (verder OTS) voorziet aldus in begeleiding van kind en ouders. Wanneer het gaat om een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd is ingediend en die in verband daarmee in de COA-opvang verblijft, dan kan de kinderrechter deze jongere op grond van artikel 1:254 lid 2 BW onder toezicht stellen van Nidos. Voor alle andere gevallen bepaalt het Burgerlijk Wetboek dat de OTS wordt toegewezen aan Bureau Jeugdzorg (BJZ).

Voorlopige OTS
Er kunnen zich situaties voordoen waarin ter bescherming van de minderjarige acuut ingrijpen door middel van uithuisplaatsing noodzakelijk is zonder dat alle betrokkenen zijn gehoord. De Raad voor de Kinderbescherming (verder Raad) verzoekt dan een voorlopige OTS als het er naar uitziet dat de Raad wellicht tot het indienen van een verzoek tot OTS gaat komen. In het kader van een voorlopige OTS kan de kinderrechter eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen aan Nidos. Aan een voorlopige OTS is een maximale duur van drie maanden gesteld. Binnen deze drie maanden moet het onderzoek naar de OTS door de kinderrechter worden afgerond. Is dit niet gebeurd, dan vervalt de voorlopige OTS.

Inhoud OTS
Een OTS wordt ook wel een beperking van het gezag genoemd. Zowel minderjarigen onder ouderlijk gezag als zij die onder voogdij van een natuurlijk persoon staan kunnen onder toezicht gesteld worden. Een voogdijpupil van een rechtspersoon voogd (zoals bijvoorbeeld Nidos) kan dus niet onder toezicht gesteld worden.
OTS wil zeggen dat er een hulpverlener van buiten het gezin toezicht gaat houden op de verzorging en opvoeding van een kind in dat gezin. De betreffende hulpverlener wordt daarom ook de gezinsvoogd genoemd.
Uitgangspunt is dat er wordt toegewerkt naar een situatie waarin de ouders in staat zijn de opvoeding (weer) zelfstandig in te richten. De ouders blijven tijdens de duur van de OTS verantwoordelijk voor- en betrokken bij de opvoeding van hun kinderen, maar zij moeten een stukje van hun beslissingsbevoegdheid afgeven aan de gezinsvoogd.

Werkwijze OTS: melding bij Raad voor de Kinderbescherming
De activiteiten voor de jeugdbescherming beginnen meestal met een melding bij de Raad. Iedereen die zich zorgen maakt over een minderjarige, kan daarover contact opnemen met de Raad. Veel meldingen komen binnen via de AMK’s (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling), Bureaus Jeugdzorg of andere instanties zoals Riagg of politie. Anonieme meldingen worden in principe niet in behandeling genomen. Iedere melding leidt tot een zorgvuldige screening. Allereerst wordt nagegaan of de melder inderdaad aan het juiste adres is. Vervolgens wordt bekeken wat het probleem is, hoe ernstig de situatie is en in hoeverre het betrokken gezin in staat is de eventuele problemen te herkennen, onder ogen te zien en op te lossen. Een verder onderzoek is niet altijd nodig. Soms wordt volstaan met een advies aan de melder of het betrokken gezin. In veel gevallen zal de Raad echter wel tot een nader onderzoek besluiten.

Werkwijze OTS: onderzoek
Het onderzoek door de Raad is bedoeld om zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over de opvoedingssituatie van het kind, de sterke en zwakke kanten van het betrokken gezin en de omstandigheden waarin het kind en het gezin verkeren. Deze informatie is belangrijk omdat ook externe omstandigheden van invloed kunnen zijn op het gezin en de gezinsstructuur. Werkloosheid, verslavingsproblemen, financiële problemen en dergelijke kunnen de structuur van een gezin ernstig ondermijnen.
De resultaten van het onderzoek worden besproken in een team van deskundigen. Maatschappelijk werkers, orthopedagogen, ontwikkelingspsychologen en/of andere deskundigen geven zo nodig hun visie op de situatie. Alle verzamelde informatie wordt gebruikt voor het schetsen van een samenhangend beeld van de omstandigheden waarin het kind en het gezin verkeren. Er wordt gekeken naar mogelijke oorzaken en gevolgen van de eventuele problemen en gezocht naar verbanden die in de actuele situatie een rol kunnen spelen. Op grond van dit voorlopige beeld wordt ook geïnventariseerd welke acties ondernomen kunnen of moeten worden. Dit overleg mondt uit in een onderzoeksrapport. Soms blijkt tijdens het onderzoek dat er sprake is van een bijzonder bedreigende situatie voor het kind. In zo’n geval kan de Raad aan de kinderrechter vragen om een voorlopige OTS. Op grond daarvan kan een kind in een crisissituatie onmiddellijk uit huis geplaatst worden.

Werkwijze OTS: onderzoeksrapport
Het onderzoeksrapport van de Raad is altijd een momentopname van de situatie en de problemen van het kind en zijn naaste omgeving. In dit rapport worden het gedrag, de geestelijke- en lichamelijke gezondheidstoestand en de persoonlijkheid van het kind beschreven. Ook wordt weergegeven hoe de ouders of opvoeders in het gezin functioneren, waarbij zowel de negatieve- als de positieve aspecten aan de orde komen. Tevens worden de positie van het gezin in de maatschappij en de mogelijke problemen op dit terrein geschetst. Vervolgens wordt beschreven hoe de verschillende leden van het gezin met elkaar omgaan, hoe vorm wordt gegeven aan de onderlinge verhoudingen en hoe de gezinsstructuur is opgebouwd en functioneert. Ook wordt gekeken hoe het kind zich op school ontwikkelt, welke contacten het kind heeft met leeftijdsgenootjes en hoe het zijn of haar vrije tijd doorbrengt. En natuurlijk komt ook de voorgeschiedenis van kind en gezin in beeld, omdat die vaak veel te maken heeft met de eventuele problemen.
Wat er vervolgens met het onderzoeksrapport gebeurt, hangt af van de resultaten van het onderzoek. Vaak leidt het onderzoeksrapport tot een advies aan het gezin of een verwijzing naar hulpverlenende instanties als Riagg, Algemeen Maatschappelijk Werk of vrijwillige jeugdhulpverlening. In deze gevallen wordt het onderzoek na de advisering of verwijzing afgesloten en krijgen de ouders het onderzoeksrapport mee.

Werkwijze OTS: de kinderrechter
Soms besluit de Raad om de kinderrechter in te schakelen. In dat geval mogen de ouders het conceptonderzoeksrapport altijd lezen en kunnen zij daar commentaar op geven. De opmerkingen van de ouders worden vervolgens in het definitieve rapport verwerkt. Kinderen vanaf 16 jaar mogen het rapport ook zelf lezen en bespreken. Kinderen tussen de 12 en 16 jaar kunnen inzage van het rapport vragen. Die verzoeken worden altijd ingewilligd. Verzoeken van kinderen jonger dan 12 jaar worden door de Raad beoordeeld, maar hoeven niet gehonoreerd te worden.
De Raad stuurt vervolgens het onderzoeksrapport, het commentaar van de ouders en eventueel van het kind zelf, een verzoek om het uitspreken van een maatregel en een eventuele toelichting naar de kinderrechter.
Tijdens een besloten zitting zal de kinderrechter beslissen over een eventuele jeugdbeschermingsmaatregel. Hiervoor heeft hij alle informatie nodig. Het onderzoeksrapport van de Raad staat centraal. Daarnaast zal de kinderrechter ook zelf met het kind en de ouders willen praten. Kinderen vanaf 12 jaar worden altijd uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Jongere kinderen kunnen worden opgeroepen of kunnen zelf om een gesprek vragen.
Bij het uitspreken van de OTS wijst de kinderrechter een instelling voor de gezinsvoogdij aan die de maatregel zal uitvoeren.

Probleemdefiniëring
Met het uitspreken van een OTS is meteen de positie van de gezinsvoogd ten opzichte van het kind en de ouders bepaald. Het is belangrijk om die positie en de onderlinge verhoudingen tijdens het eerste overleg met het gezin nadrukkelijk te bespreken. Daarbij moet vooral duidelijk worden dat de gezinsvoogd kind en ouders wil ondersteunen, waarbij de ouders en hun natuurlijke relatie met het kind steeds worden gerespecteerd. De gezinsvoogd zal na de kennismaking via gesprekken met onder andere de ouders, het kind, onderwijzers, artsen en familieleden informatie inwinnen die nodig is voor een nadere probleem definiëring en het stellen van een goede diagnose. Dit is de basis voor het hulpverleningsplan. Zo nodig zullen ook externe deskundigen (jeugdpsychiaters, gedragsdeskundigen, ontwikkelingspsychologen) naar hun mening worden gevraagd. Op grond van deze analyse wordt een beslissing genomen over de meest adequate handelwijze en wordt besloten wie de beste hulp kan verlenen.

Hulpverleningsplan
Op grond van de verzamelde informatie bekijkt de gezinsvoogd welke problemen of probleemelementen binnen het gezin centraal staan en wat hun onderlinge samenhang is. Vervolgens wordt bepaald hoe die problemen het best aangepakt kunnen worden en wordt geïnventariseerd welke mogelijkheden daarvoor beschikbaar zijn. Uit alle bestaande behandelingsmogelijkheden wordt op grond van onder meer bereikbaarheid, doelmatigheid en praktische omstandigheden voor een bepaalde aanpak gekozen. Bij die afweging spelen heel wat factoren een rol. Zo moet de behandeling goed aansluiten bij de mogelijkheden en vaardigheden van het kind en zijn gezin. Ook moet voldoende rekening worden gehouden met de wensen en opvattingen van het kind en de ouders. Verder zal de gezinsvoogd bij zichzelf moeten nagaan of hij in staat is om het kind en/of het gezin bij de gekozen behandeling adequaat te ondersteunen. En moet worden meegewogen of de gekozen hulp op korte termijn kan worden geleverd. Al deze overwegingen leiden tot het opstellen van een hulpverleningsplan. In dit plan is vastgelegd op welke manier de problemen worden aangepakt, welke doelstellingen moeten worden bereikt en hoe (criteria) en op welke momenten de hulpverlening zal worden geëvalueerd. Bij een OTS vindt een evaluatie in ieder geval een maal per jaar plaats.

Uitvoering van het hulpverleningsplan
Vaak zal bij de uitvoering van het hulpverleningsplan de inschakeling van instellingen op het gebied van de jeugdhulpverlening (Riagg, pleegzorg, videohome-training, tehuizen of internaten) of instellingen ter ondersteuning van de ouders (Algemeen Maatschappelijk Werk, gezinsverzorging, Riagg, CAD) noodzakelijk zijn. Het is dan de taak van de gezinsvoogd om de contacten met de instanties te leggen en te onderhouden. De gezinsvoogd treedt dan als het ware op als ‘case-manager’. De gezinsvoogd is in deze hoedanigheid erkend als plaatser, dit wil zeggen dat hij kan verzoeken om opneming in een voorziening en dat die verzoeken in principe ook gehonoreerd moeten worden.
De door de gezinsvoogd gekozen externe hulpverlening wordt niet altijd door het kind en/of het gezin geaccepteerd. Als medewerking van kind of gezin uitblijft zal de gezinsvoogd zich noodgedwongen moeten beperken tot alleen ondersteuning en begeleiding van het gezin totdat een nuttig geachte vorm van hulpverlening wel wordt geaccepteerd.
De gezinsvoogd is gedurende de hele OTS verantwoordelijk voor de begeleiding van het kind en (waar mogelijk) het gezin. Hij zal voortdurend moeten nagaan of de hulpverlening naar wens verloopt, of de gestelde doelen dichterbij komen, of er tijdens de behandeling misschien nieuwe informatie naar voren komt die van invloed is op de diagnose en/of hulpverleningsplan, of er onverhoopt nieuwe problemen ontstaan of zich onvoorziene ontwikkelingen voordoen. Die doorlopende monitoring zal vaak aanleiding geven tot bijstelling van het hulpverleningsplan.

Middelen van de gezinsvoogd: aanwijzing
Dat het gezag beperkt is komt vooral tot uiting in de bevoegdheid die de gezinsvoogdijinstelling heeft tot het geven van een aanwijzing (art. 1:258 BW). De minderjarige en diens ouders (of voogd) dienen een aanwijzing op te volgen. Als men de aanwijzing niet opvolgt, kan als uiterste consequentie volgen dat een ouder uit de ouderlijke macht ontzet wordt of dat het kind uit huis wordt geplaatst.
Voorbeelden van aanwijzingen zijn: de aanwijzing dat een minderjarige naar school moet gaan, de aanwijzing dat een minderjarige een psycholoog bezoekt of de aanwijzing aan de ouders dat hun dochter naar een sportclub mag gaan. Ouders en minderjarigen van twaalf jaar en ouder kunnen overigens in bezwaar gaan van een aanwijzing bij de kinderrechter.

Middelen van de gezinsvoogd: uithuisplaatsing
In het kader van de ondertoezichtstelling kan de gezinsvoogdijinstelling de kinderrechter verzoeken een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven (art. 1:261 BW). Met een dergelijke machtiging kan de instelling de ondertoezicht gestelde minderjarige in bijvoorbeeld een pleeggezin of tehuis plaatsen. De gezinsvoogdijinstelling moet in haar verzoek om een machtiging uithuisplaatsing aangeven voor welke soort voorziening zij een machtiging aanvraagt. De machtiging tot uithuisplaatsing kan niet langer duren dan de ondertoezichtstelling, dat wil zeggen maximaal een jaar. Evenals de ondertoezichtstelling kan de machtiging tot uithuisplaatsing steeds met maximaal een jaar verlengd worden. Een uithuisplaatsing kan ook in een gesloten setting plaatsvinden. Bij een uithuisplaatsing kan ook een bezoekregeling voor de ouders worden ingesteld.

Duur van de OTS
Een OTS wordt uitgesproken voor de duur van ten hoogste een jaar en kan telkens met een jaar worden verlengd. Nidos kan besluiten om de OTS niet te verlengen. Nidos informeert de Raad vooraf over dit voornemen. De Raad kan dan, als zij het niet met de beëindiging eens is, de kinderrechter vragen om de OTS toch te verlengen. Zodra de situatie dit toelaat wordt de OTS beëindigd. Een OTS eindigt van rechtswege als de minderjarige 18 jaar wordt.