Juridische aspecten van terugkeer
Uitgangspunt in de vreemdelingenwetgeving is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, Nederland uit eigen beweging moet verlaten. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit Nederland. Dit geldt ook voor ex-pupillen van Nidos die inmiddels meerderjarig zijn geworden.
Ook voor minderjarige pupillen van Nidos is de hoofdregel dat zij na afwijzing van hun asielaanvraag moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Uitzondering hierop vormt de situatie dat een jongere zich niet zelfstandig kan handhaven en er in het land van herkomst of een ander land bovendien geen adequate opvang voor de jongere aanwezig is. Hiervoor is een reguliere verblijfsvergunning in het leven geroepen, de ‘ama-vtv‘, die ambtshalve en voor bepaalde tijd wordt verleend. Ook bij verlening van deze verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de ama in beginsel moet terugkeren.
De voorwaarde dat een jongere zich zelfstandig kan handhaven wordt niet gesteld aan jongeren onder de zestien jaar. Voor jongeren die zestien jaar of ouder zijn is van belang of uit overige omstandigheden, die in de jongere zelf zijn gelegen, aannemelijk is dat deze zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, gerelateerd aan de ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake als de jongere voor de komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd zonder dat dit serieuze problemen opleverde.
Wordt er geconstateerd dat aannemelijk is dat een ama van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang nodig heeft, dan komt deze niet in aanmerking voor een ama-vtv.
Als er wordt geconstateerd dat er opvang nodig is, dan is van belang of er adequate opvang voorhanden is. Hieronder wordt iedere opvang verstaan waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokken jongere bevinden.
De opvang kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, en bij voorbeeld stam- of dorpsgenoten. Ook zijn er landen waarvan in het Nederlandse asielbeleid is vastgelegd dat er door de autoriteiten adequate opvang wordt geboden, bij voorbeeld in weeshuizen.
Wordt de aanwezige opvang als adequaat beschouwd, dan wordt verwacht dat de jongere terugkeert.
Wanneer een ama tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar adequate opvang in het land ven herkomst of een ander land ’frustreert’, komt deze ama niet in aanmerking voor een ama-vtv. Van frustratie van het onderzoek is sprake als de ama ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of zaken verzwijgt over identiteit, nationaliteit of opvang.
Voor het faciliteren van de terugkeer van (ex)ama’s is door de staatssecretaris in de eerste helft van 2008 een pakket van beoogde maatregelen gecommuniceerd:
- Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) faciliteert de terugkeer van de (ex)ama op intensieve wijze
- Verwijderbare ex-ama’s kunnen worden geplaatst in een vrijheidsbeperkende locatie om de terugkeerfacilitering voort te kunnen zetten
- De mogelijkheden om (gedwongen) terugkeer naar landen van herkomst te realiseren worden verbeterd door inzet op cruciale factoren voor een succesvolle terugkeer: medewerking van de minderjarige en het land van herkomst
In aanvulling hierop zal er in de tweede helft van 2008 een herijking van het ama-beleid plaatsvinden, met als uitgangspunt dat de individuele ama meerderjarig wordt in een omgeving waar zijn toekomst werkelijk ligt, vanuit de overtuiging dat het belang van de ama en van de Nederlandse samenleving hiermee maximaal worden gediend.